Het vak

Taal

Van ontleden naar weten. Grammie oefent met je kind: taal. 8 minuten per keer, 3 keer op een dag, en dan gaat het op slot tot morgen. Geen meerkeuze, geen advertenties, en bij elke fout de uitleg.

14 treden31 blokken250 feiten

Grammie

Uit de app zelf

Niet alleen wát, ook hóé

Bij elke som, elk woord en elke plek hoort één manier om hem te doen. Die komt langs vóór de sessie, tijdens de vraag als je vastloopt, en nog een keer na een fout. Dit zijn er vier, letterlijk zoals je kind ze krijgt.

taal

Zet er ik of wij voor

Het werkwoord

De kat slaapt. → slaapt

Zo doe je het

  1. Een werkwoord zegt wat er gebeurt of wat er gedaan wordt.
  2. Test het zo: kun je er ik of wij voor zetten? Ik loop, wij lopen.
  3. Dan is het een werkwoord.

Taal

Wat erin zit

Elk domein, elk onderdeel en elke trede, rechtstreeks uit het bestand waar de app zijn vragen uit haalt. Een korte starttoets zet je kind op de goede hoogte. 14 treden · 31 blokken · 250 feiten.

Woorden

Woordsoorten

  1. 1Lidwoord en naamwoordDe drie woordsoorten waarmee elke zin begint: de, het, een — en waar ze bij horen.
    • Het lidwoord
    • Het zelfstandig naamwoord
    • Het bijvoeglijk naamwoord
    Vanaf groep 4 · 24
  2. 2Werkwoord en voorzetselWat er gebeurt, waar het gebeurt, en de woordjes die een naam vervangen.
    • Het werkwoord
    • Het voorzetsel
    • Het persoonlijk voornaamwoord
    • Het telwoord
    Vanaf groep 5 · 32
  3. 3De drie voornaamwoordenWie doet het (ik, hij), van wie is het (mijn, hun), en welke bedoel je (deze, die)?
    • Het persoonlijk voornaamwoord
    • Het bezittelijk voornaamwoord
    • Het aanwijzend voornaamwoord
    Vanaf groep 6 · 24
  4. 4Bijwoord en tussenwerpselHet woord dat bij het werkwoord hoort, en het woord dat er los bij staat.
    • Het bijwoord
    • Het tussenwerpsel
    Vanaf groep 7 · 16
Woorden

Werkwoorden in de zin

  1. 1De persoonsvormDe vraagproef, het hele gezegde, en het werkwoord dat in tweeën breekt.
    • De persoonsvorm
    • Alle werkwoorden samen
    • Het werkwoord in tweeën
    Vanaf groep 6 · 24
Zinnen

Zinsdelen

  1. 1Onderwerp en gezegdeWie of wat doet het? De eerste vraag die je aan elke zin stelt.
    • Het onderwerp
    Vanaf groep 6 · 8
  2. 2Lijdend en meewerkend voorwerpWat gebeurt er, en aan wie? De twee voorwerpen in een zin.
    • Het lijdend voorwerp
    • Het meewerkend voorwerp
    Vanaf groep 7 · 16
  3. 3Bepalingen van tijd en plaatsWanneer gebeurt het, en waar?
    • De bepaling van tijd
    • De bepaling van plaats
    Vanaf groep 7 · 16
Zinnen

Samengestelde zinnen

  1. 1Twee zinnen aan elkaarHet voegwoord dat twee stukken zin verbindt: en, maar, want, omdat.
    • Het voegwoord
    Vanaf groep 8 · 8
Taal gebruiken

Hoofdletters

  1. 1HoofdlettersWelk woord is een naam? Van mensen en landen tot winkels en achternamen.
    • De hoofdletter
    • Hoofdletters bij gebouwen en bedrijven
    • Hoofdletters bij achternamen
    Vanaf groep 4 · 24
Taal gebruiken

Leestekens

  1. 1Punt, vraagteken en kommaVertel je iets, vraag je iets of roep je iets? En waar houdt het ene stuk zin op?
    • Het teken aan het eind
    • De komma
    Vanaf groep 4 · 18
  2. 2Iemand laten sprekenDe dubbele punt, de aanhalingstekens en de haakjes: hoe je iemand citeert en iets extra toevoegt.
    • De dubbele punt
    • Aanhalingstekens
    • Haakjes
    Vanaf groep 6 · 24
Taal gebruiken

Goed gezegd

  1. 1Die of dat, als of danDe drie die volwassenen ook fout doen: die/dat, als/dan, hun/hen.
    • Die of dat?
    • Als of dan?
    • Hun, hen of zij?
    Vanaf groep 7 · 24

Alles

  1. 1Alle taalVan het lidwoord tot de lijdende zin — alles door elkaar.
    • Het lidwoord
    • Het zelfstandig naamwoord
    • Het bijvoeglijk naamwoord
    • Het werkwoord
    • Het voorzetsel
    • Het persoonlijk voornaamwoord
    • Het bezittelijk voornaamwoord
    • Het aanwijzend voornaamwoord
    • Het bijwoord
    • Het tussenwerpsel
    • Het telwoord
    • De persoonsvorm
    • +19
    Vanaf groep 8 · 250

Beginnen kan meteen

Kies een vak, maak een account voor jezelf en zet je kind erin. Daarna is het aan hem. Bij elkaar twee minuten, zonder installatie en zonder betaalgegevens.