Oefenen

De leerlijnen

Alles wat de vijf apps oefenen, in de volgorde waarin ze het oefenen. Deze pagina is geen beschrijving maar een uitdraai: hij komt uit dezelfde bestanden waar de app zijn vragen uit haalt.

rekenen uit je hoofd

Rekenen

55 treden · 105 blokken · 1202 feiten

Getallen

Plus & min

  1. 1Tot tienVrienden van tien, splitsen, terugrekenen, en plus en min tot tien.
    • Vrienden van tien
    • Splitsen tot tien
    • Terugrekenen tot tien
    • Plus tot tien
    • Min tot tien
    Vanaf groep 3 · 53
  2. 2Dubbelen en helftenHet dubbele, bijna-dubbel, en de helft terug.
    • Dubbelen en helften
    Vanaf groep 3 · 24
  3. 3Tot twintigTien en nog wat, en plus en min tot twintig binnen het tiental.
    • Splitsen tot twintig
    • Plus tot twintig
    • Min tot twintig
    Vanaf groep 3 · 42
  4. 4Over de tienDe grote stap: plus en min over het tiental heen, tot twintig.
    • Plus over de tien
    • Min over de tien
    Vanaf groep 3 · 24
  5. 5Tot honderdSprongen van tien, en plus en min binnen het tiental.
    • Sprongen van tien en één
    • Plus tot honderd
    • Min tot honderd
    • Aanvullen tot een tiental
    Vanaf groep 4 · 60
  6. 6Over het tientalPlus en min over het tiental, met eenheden: 76 + 8.
    • Plus over het tiental
    • Min over het tiental
    Vanaf groep 4 · 24
  7. 7Tientallen én eenhedenDe stap erna: 56 + 28 en 76 − 28.
    • Plus met tientallen én eenheden
    • Min met tientallen én eenheden
    Vanaf groep 5 · 24
  8. 8Tot duizendPlus en min tot duizend, en zien wanneer doortellen korter is.
    • Plus tot duizend
    • Min tot duizend
    • Verschil: doortellen
    Vanaf groep 5 · 36
  9. 9Grote getallenPlus en min met getallen boven de duizend.
    • Plus met grote getallen
    • Min met grote getallen
    Vanaf groep 6 · 24
Getallen

Keer & delen

  1. 1De eerste tafels1, 2, 10 en 5 — de tafels waar je de rest uit afleidt.
    • Tafel van 1
    • Tafel van 2
    • Tafel van 10
    • Tafel van 5
    Vanaf groep 4 · 40
  2. 2De tafels van 3 en 4Via herhaald optellen en via dubbelen: 4 × 6 is het dubbele van 2 × 6.
    • Tafel van 3
    • Tafel van 4
    Vanaf groep 4 · 20
  3. 3De moeilijke tafels6, 7, 8 en 9 — de tafels die je uit de makkelijke haalt.
    • Tafel van 6
    • Tafel van 7
    • Tafel van 8
    • Tafel van 9
    Vanaf groep 5 · 40
  4. 4De eerste deeltafelsDelen door 2, 10, 5, 3 en 4 — het omgekeerde van de tafels die je kent.
    • Deeltafel van 2
    • Deeltafel van 10
    • Deeltafel van 5
    • Deeltafel van 3
    • Deeltafel van 4
    Vanaf groep 5 · 50
  5. 5De moeilijke deeltafelsDelen door 6, 7, 8 en 9.
    • Deeltafel van 6
    • Deeltafel van 7
    • Deeltafel van 8
    • Deeltafel van 9
    Vanaf groep 5 · 40
  6. 6Keer én delen door elkaarAlle tafels en deeltafels, in één rij door elkaar.
    • Tafel van 1
    • Tafel van 2
    • Tafel van 10
    • Tafel van 5
    • Tafel van 3
    • Tafel van 4
    • Tafel van 6
    • Tafel van 7
    • Tafel van 8
    • Tafel van 9
    • Deeltafel van 2
    • Deeltafel van 10
    • +7
    Vanaf groep 6 · 190
  7. 7Keer een groter getalSplits het getal in tientallen en eenheden: 3 × 67 is 180 + 21.
    • Keer een groter getal
    Vanaf groep 5 · 12
  8. 8Grote tafelsDe tafels van 11, 12, 20, 25 en 50.
    • Grote tafels
    Vanaf groep 6 · 12
  9. 9TientaltafelsKeer met tientallen en honderdtallen: 3 × 60, 100 × 14.
    • Tientaltafels
    Vanaf groep 7 · 12
  10. 10Verder met delenDelen met tientallen, delen door te splitsen, en delen met rest.
    • Delen met tientallen
    • Delen door te splitsen
    • Delen met rest
    Vanaf groep 7 · 36
Getallen

Cijferen

  1. 1Cijferend optellen en aftrekkenDe som onder elkaar, met onthouden en lenen.
    • Cijferend optellen
    • Cijferend aftrekken
    Vanaf groep 6 · 12
  2. 2Cijferend keer en de staartdelingTwee regels onder elkaar, en de deling hap voor hap.
    • Cijferend vermenigvuldigen
    • De staartdeling
    Vanaf groep 7 · 12
Verhaalsommen

Welke som hoort erbij?

  1. 1Welke som hoort erbij?Samen, eraf, per stuk, verdeeld over — het woord verklapt de som.
    • Welke som hoort erbij?
    Vanaf groep 5 · 16
Verhaalsommen

Plus & min in een verhaal

  1. 1Verhaalsommen: plus en minEen som die in een verhaal verstopt zit. Lees, zoek de getallen, zoek het woord.
    • Verhaalsommen: plus en min
    Vanaf groep 5 · 11
Verhaalsommen

Keer & delen in een verhaal

  1. 1Verhaalsommen: keer en delenPer stuk, in elke doos, verdeeld over — en dan uitrekenen.
    • Verhaalsommen: keer en delen
    Vanaf groep 6 · 11
  2. 2Verhaalsommen in twee stappenEerst het totaal uitrekenen, dan pas de vraag beantwoorden.
    • Verhaalsommen in twee stappen
    Vanaf groep 7 · 6
Verhaalsommen

Meten in een verhaal

  1. 1Verhaalsommen met matenMeters naar centimeters, kilo naar gram — de maattrap in een verhaal.
    • Verhaalsommen met maten
    Vanaf groep 6 · 2
Verhaalsommen

Geld en tijd in een verhaal

  1. 1Verhaalsommen met geldWat kost het samen, en hoeveel krijg je terug?
    • Verhaalsommen met geld
    Vanaf groep 6 · 2
  2. 2Verhaalsommen met tijdHoe lang duurt het samen, en hoeveel blijft er over?
    • Verhaalsommen met tijd
    Vanaf groep 6 · 2
Verhaalsommen

Verhoudingen in een verhaal

  1. 1Verhaalsommen met verhoudingenPer kilometer, per stuk — van één naar veel en weer terug.
    • Verhaalsommen met verhoudingen
    Vanaf groep 7 · 2
Verhoudingen

Breuken

  1. 1Breuken herkennenWelk deel is gekleurd? Je schrijft de breuk zelf op.
    • Breuken benoemen
    Vanaf groep 5 · 20
  2. 2Deel van een geheelDe helft, een kwart, een tiende — van een getal.
    • Breuken benoemen
    • Deel van een geheel
    Vanaf groep 6 · 32
  3. 3Breuken vereenvoudigen, optellen en aftrekken2/4 is 1/2, 7/4 is 1¾, en 1/4 + 2/4 is 3/4.
    • Breuken vereenvoudigen
    • Helen eruit halen
    • Breuken optellen
    • Breuken aftrekken
    Vanaf groep 6 · 64
  4. 4Breuken keer, gedeeld en gelijknamigOngelijke noemers gelijk maken, en breuken keer en gedeeld door elkaar.
    • Breuken met ongelijke noemers
    • Breuken vermenigvuldigen
    • Delen door een breuk
    Vanaf groep 8 · 20
Verhoudingen

Procenten

  1. 1Breuk en procentEen half is 50%, een kwart is 25% — dezelfde strook.
    • Breuk als procent
    • Breuk als kommagetal
    Vanaf groep 6 · 17
  2. 2Procent van een getal10% van 60, 25% van 40 — via tien procent.
    • Procent van een getal
    Vanaf groep 7 · 16
  3. 3Korting berekenenZet 100, 50, 25 en 10 procent op een rij, en zoek het gevraagde bij elkaar.
    • Korting berekenen
    Vanaf groep 7 · 8
Verhoudingen

Kommagetallen

  1. 1KommagetallenPlus, min en keer met tienden en honderdsten.
    • Kommagetallen plus en min
    • Kommagetallen keer
    Vanaf groep 7 · 22
Verhoudingen

Verhoudingen vergelijken

  1. 1Verhoudingen vergelijkenHetzelfde stuk, groter geschreven: 2 op 3 is ook 6 op 9.
    • Verhoudingen vergelijken
    Vanaf groep 6 · 36
  2. 2Breuk, procent en kommagetal1 van de 4 is 1/4 is 0,25 is 25% — steeds dezelfde hoeveelheid.
    • Breuk, procent, kommagetal
    Vanaf groep 7 · 15
Meten & tijd

Lengte

  1. 1LengtematenVan meters naar centimeters en terug — de trap op en af.
    • Lengtematen
    Vanaf groep 6 · 12
  2. 2Welke maat past hierbij?Is een deur 2 meter of 2 millimeter? Maatgevoel, vóór het omrekenen.
    • Welke maat past hierbij?
    Vanaf groep 5 · 12
Meten & tijd

Inhoud & gewicht

  1. 1Inhoud en gewichtLiters en grammen: dezelfde trap, andere namen.
    • Inhoudsmaten
    • Gewichtsmaten
    Vanaf groep 7 · 16
Meten & tijd

Geld

  1. 1Geld neerleggenWelke munten en briefjes samen een bedrag maken.
    • Geld neerleggen
    Vanaf groep 4 · 12
  2. 2Rekenen met bedragenBedragen bij elkaar, en een prijs keer een aantal.
    • Bedragen optellen
    • Prijs keer aantal
    Vanaf groep 5 · 22
  3. 3TeruggevenWat je terugkrijgt van 5, 10, 20 en 50.
    • Teruggeven van 5 en 10
    • Teruggeven van 20 en 50
    Vanaf groep 6 · 16
Meten & tijd

Klok & tijd

  1. 1KlokkijkenHele en halve uren, en de kwartieren.
    • Klok: hele en halve uren
    • Klok zetten: hele en halve uren
    • Klok: kwartieren
    • Klok zetten: kwartieren
    Vanaf groep 3 · 72
  2. 2De klok op de minuutVijf over half, tien voor drie — de klok op de minuut.
    • Klok: hele en halve uren
    • Klok zetten: hele en halve uren
    • Klok: kwartieren
    • Klok zetten: kwartieren
    • Klok: op de minuut
    • Klok zetten: op de minuut
    Vanaf groep 5 · 108
  3. 3Hoe lang duurt hetVan het ene tijdstip naar het andere — hoeveel minuten zit daartussen.
    • Hoe lang duurt het
    Vanaf groep 5 · 15
  4. 4Eeuwen, jaren, weken en secondenElke tijdstap heeft zijn eigen maat — en de maanden erbij.
    • Tijd omrekenen
    • De maanden van het jaar
    Vanaf groep 5 · 38
  5. 5De 24-uursklokOp het station staat 19:00 en op je pols zeven uur. Hoe je van de een naar de ander komt.
    • De 24-uursklok
    Vanaf groep 6 · 22
Meten & tijd

Meetkunde

  1. 1Omtrek en oppervlakteHoe lang is de lijn eromheen, en hoeveel vierkantjes passen erop?
    • Omtrek van een rechthoek
    • Oppervlakte van een rechthoek
    Vanaf groep 6 · 12
  2. 2Driehoek en inhoudDe helft van een rechthoek, en hoeveel kubusjes er in een balk passen.
    • Oppervlakte van een driehoek
    • Inhoud van een balk
    Vanaf groep 7 · 12
  3. 3De cirkelOmtrek en oppervlakte met π — en het verschil tussen die twee.
    • Omtrek van een cirkel
    • Oppervlakte van een cirkel
    Vanaf groep 8 · 12
  4. 4Vierkante en kubieke matenBij m² stap je met honderd tegelijk, bij m³ met duizend. En 1 dm³ is 1 liter.
    • Vierkante maten
    • Kubieke maten
    Vanaf groep 7 · 14

Alles

  1. 1De hele leerlijnVan vrienden van tien tot delen met rest — alles.
    • Vrienden van tien
    • Splitsen tot tien
    • Splitsen tot twintig
    • Terugrekenen tot tien
    • Plus tot tien
    • Min tot tien
    • Dubbelen en helften
    • Plus tot twintig
    • Min tot twintig
    • Plus over de tien
    • Min over de tien
    • Sprongen van tien en één
    • +93
    Vanaf groep 8 · 1202

werkwoordspelling

Spelling

19 treden · 43 blokken · 424 feiten

Woorden die je kunt horen

Hakken en luisteren

  1. 1Woorden die je kunt horenHak het woord in klanken en schrijf op wat je hoort. Voor wie net begint.
    • Hak het woord in klanken
    • Ng of nk?
    • Aai, ooi of oei?
    • Eer, oor of eur?
    • Eeuw, ieuw of uw?
    Vanaf groep 3 · 50
Woorden met een regel

Kort of lang

  1. 1Kort of langBomen of bommen: één medeklinker of twee, afhankelijk van de klank.
    • Eén of twee medeklinkers?
    Vanaf groep 4 · 10
Woorden met een regel

Verkleinwoorden

  1. 1VerkleinwoordenHuisje, boompje, mannetje: welke staart hoort bij welk woord?
    • Verkleinwoorden: -je, -tje of -pje
    • Verkleinwoorden: -etje of -kje
    Vanaf groep 4 · 20
Woorden met een regel

Verlengen

  1. 1Maak het woord langerHand of hant, snelheid of snelheit: verleng het woord en je hoort het.
    • Eindigt het op d of t?
    • Eindigt het op b of p?
    • Eindigt het op f of v, s of z?
    • Eindigt het op -heid?
    Vanaf groep 5 · 40
Woorden met een regel

Voorvoegsels

  1. 1Be-, ge-, ver- en ont-De doffe klank vooraan schrijf je met een e. Altijd.
    • Be-, ge-, ver- of ont-?
    Vanaf groep 5 · 10
Woorden met een regel

Meervoud

  1. 1Meervoud: 's en tremaAuto's met een apostrof, zeeën met twee puntjes — allebei om verkeerd lezen te voorkomen.
    • Meervoud met 's
    • Het trema
    Vanaf groep 6 · 20
Woorden met een regel

Samenstellingen

  1. 1Twee woorden aan elkaarPannenkoek, stationsplein, zee-egel: wat komt er tussen die twee woorden?
    • Samenstellingen met tussen-n
    • Samenstellingen met tussen-s
    • Het koppelteken
    Vanaf groep 7 · 28
Woorden om te onthouden

Klanken die hetzelfde klinken

  1. 1Ei of ij, au of ouKlanken die precies hetzelfde klinken. Hier helpt geen regel, alleen kijken.
    • Ei of ij?
    • Au of ou?
    Vanaf groep 5 · 20
  2. 2Cht of gtHet licht en hij ligt: een ding of een werkwoord, en dat scheelt een letter.
    • Cht of gt?
    Vanaf groep 6 · 10
  3. 3G of chLachen of laggen: precies dezelfde klank, twee schrijfwijzen.
    • G of ch?
    Vanaf groep 6 · 10
Woorden om te onthouden

Uit een andere taal

  1. 1Woorden uit een andere taalDe c van cirkel, de -tie van politie, de g van garage: kijken en onthouden.
    • De c: als s of als k?
    • De i die als ie klinkt
    • Eindigt het op -tie?
    • Woorden uit een andere taal
    • De Griekse y
    Vanaf groep 6 · 48
Woorden om te onthouden

Doffe staarten

  1. 1Staarten die dof klinken-ig of -lijk, en -isch dat als "ies" klinkt.
    • -ig of -lijk?
    • Eindigt het op -isch?
    Vanaf groep 7 · 20
  2. 2Staarten met -te, -de of -enHoogte of hoogde, wollen of wolle: staarten die je nauwelijks hoort.
    • Woorden op -eren, -elen of -enen
    • Eindigt het op -te of -de?
    • Waar is het van gemaakt?
    Vanaf groep 6 · 30
Woorden om te onthouden

Klanken die er niet staan

  1. 1Klanken die er niet staanJe zegt "wurum" en "bavijaan" — maar die u en die j schrijf je niet.
    • De klank die je hoort maar niet schrijft
    • De j en de w die je niet schrijft
    Vanaf groep 6 · 18
Werkwoorden

Werkwoordregels

  1. 1Tegenwoordige tijdDe ik-vorm, de hij-vorm met -t, de dt-regel en jij achter het werkwoord.
    • Tegenwoordige tijd: ik-vorm
    • Tegenwoordige tijd: hij, zij, het
    • De dt-regel
    • Jij achter het werkwoord
    Vanaf groep 6 · 40
  2. 2Verleden en voltooid't Kofschip, het voltooid deelwoord met -t of -d, en de verwarring ertussen.
    • Verleden tijd: 't kofschip
    • Voltooid deelwoord: -t of -d
    • Voltooid deelwoord of tegenwoordige tijd?
    Vanaf groep 7 · 30
  3. 3Sterke werkwoordenDe onregelmatige werkwoorden in verleden tijd en voltooid deelwoord.
    • Sterke werkwoorden: verleden tijd
    • Sterke werkwoorden: voltooid deelwoord
    Vanaf groep 8 · 20
  4. 4Alle werkwoordregelsVan de ik-vorm tot de sterke werkwoorden.
    • Tegenwoordige tijd: ik-vorm
    • Tegenwoordige tijd: hij, zij, het
    • De dt-regel
    • Jij achter het werkwoord
    • Verleden tijd: 't kofschip
    • Voltooid deelwoord: -t of -d
    • Voltooid deelwoord of tegenwoordige tijd?
    • Sterke werkwoorden: verleden tijd
    • Sterke werkwoorden: voltooid deelwoord
    Vanaf groep 8 · 90

Alles

  1. 1Alle spellingVan kort-of-lang tot de sterke werkwoorden — alles door elkaar.
    • Hak het woord in klanken
    • Ng of nk?
    • Aai, ooi of oei?
    • Eer, oor of eur?
    • Eeuw, ieuw of uw?
    • Eén of twee medeklinkers?
    • Verkleinwoorden: -je, -tje of -pje
    • Eindigt het op d of t?
    • Eindigt het op b of p?
    • Eindigt het op f of v, s of z?
    • Ei of ij?
    • Au of ou?
    • +31
    Vanaf groep 8 · 424

topografie

Topografie

11 treden · 7 blokken · 136 feiten

Nederland

Provincies

  1. 1De provinciesDe twaalf provincies van Nederland, van Groningen tot Limburg.
    • Provincies van Nederland
    Vanaf groep 6 · 12
  2. 2Heel NederlandDe provincies en de grote steden door elkaar.
    • Provincies van Nederland
    • Steden van Nederland
    Vanaf groep 6 · 32
Nederland

Steden

  1. 1De grote stedenTwintig steden van Nederland, met de Randstad als houvast.
    • Steden van Nederland
    Vanaf groep 6 · 20
Europa

Landen

  1. 1De landen van EuropaZevenendertig landen, vanaf Nederland naar buiten toe.
    • Landen van Europa
    Vanaf groep 7 · 37
  2. 2Heel EuropaDe landen van Europa en hun hoofdsteden.
    • Landen van Europa
    • Hoofdsteden van Europa
    Vanaf groep 7 · 69
Europa

Hoofdsteden

  1. 1De hoofdstedenBij elk land van Europa de stad waar het bestuurd wordt.
    • Hoofdsteden van Europa
    Vanaf groep 8 · 32
De wereld

Werelddelen & oceanen

  1. 1De werelddelenZes vlakken die de hele wereld verdelen, van Afrika tot Oceanië.
    • De werelddelen
    Vanaf groep 6 · 6
  2. 2De oceanenHet water tussen de werelddelen: vijf oceanen om aan te wijzen.
    • De oceanen
    Vanaf groep 6 · 5
  3. 3Werelddelen en oceanenDe grote vlakken van de wereld, land en water door elkaar.
    • De werelddelen
    • De oceanen
    Vanaf groep 6 · 11
De wereld

Landen van de wereld

  1. 1Landen van de wereldVierentwintig landen die je overal tegenkomt, van Canada tot Japan.
    • Landen van de wereld
    Vanaf groep 8 · 24

Alles

  1. 1Alle kaartenVan de provincies van Nederland tot de landen van de wereld.
    • Provincies van Nederland
    • Steden van Nederland
    • Landen van Europa
    • Hoofdsteden van Europa
    • De werelddelen
    • De oceanen
    • Landen van de wereld
    Vanaf groep 8 · 136

taal

Taal

14 treden · 31 blokken · 250 feiten

Woorden

Woordsoorten

  1. 1Lidwoord en naamwoordDe drie woordsoorten waarmee elke zin begint: de, het, een — en waar ze bij horen.
    • Het lidwoord
    • Het zelfstandig naamwoord
    • Het bijvoeglijk naamwoord
    Vanaf groep 4 · 24
  2. 2Werkwoord en voorzetselWat er gebeurt, waar het gebeurt, en de woordjes die een naam vervangen.
    • Het werkwoord
    • Het voorzetsel
    • Het persoonlijk voornaamwoord
    • Het telwoord
    Vanaf groep 5 · 32
  3. 3De drie voornaamwoordenWie doet het (ik, hij), van wie is het (mijn, hun), en welke bedoel je (deze, die)?
    • Het persoonlijk voornaamwoord
    • Het bezittelijk voornaamwoord
    • Het aanwijzend voornaamwoord
    Vanaf groep 6 · 24
  4. 4Bijwoord en tussenwerpselHet woord dat bij het werkwoord hoort, en het woord dat er los bij staat.
    • Het bijwoord
    • Het tussenwerpsel
    Vanaf groep 7 · 16
Woorden

Werkwoorden in de zin

  1. 1De persoonsvormDe vraagproef, het hele gezegde, en het werkwoord dat in tweeën breekt.
    • De persoonsvorm
    • Alle werkwoorden samen
    • Het werkwoord in tweeën
    Vanaf groep 6 · 24
Zinnen

Zinsdelen

  1. 1Onderwerp en gezegdeWie of wat doet het? De eerste vraag die je aan elke zin stelt.
    • Het onderwerp
    Vanaf groep 6 · 8
  2. 2Lijdend en meewerkend voorwerpWat gebeurt er, en aan wie? De twee voorwerpen in een zin.
    • Het lijdend voorwerp
    • Het meewerkend voorwerp
    Vanaf groep 7 · 16
  3. 3Bepalingen van tijd en plaatsWanneer gebeurt het, en waar?
    • De bepaling van tijd
    • De bepaling van plaats
    Vanaf groep 7 · 16
Zinnen

Samengestelde zinnen

  1. 1Twee zinnen aan elkaarHet voegwoord dat twee stukken zin verbindt: en, maar, want, omdat.
    • Het voegwoord
    Vanaf groep 8 · 8
Taal gebruiken

Hoofdletters

  1. 1HoofdlettersWelk woord is een naam? Van mensen en landen tot winkels en achternamen.
    • De hoofdletter
    • Hoofdletters bij gebouwen en bedrijven
    • Hoofdletters bij achternamen
    Vanaf groep 4 · 24
Taal gebruiken

Leestekens

  1. 1Punt, vraagteken en kommaVertel je iets, vraag je iets of roep je iets? En waar houdt het ene stuk zin op?
    • Het teken aan het eind
    • De komma
    Vanaf groep 4 · 18
  2. 2Iemand laten sprekenDe dubbele punt, de aanhalingstekens en de haakjes: hoe je iemand citeert en iets extra toevoegt.
    • De dubbele punt
    • Aanhalingstekens
    • Haakjes
    Vanaf groep 6 · 24
Taal gebruiken

Goed gezegd

  1. 1Die of dat, als of danDe drie die volwassenen ook fout doen: die/dat, als/dan, hun/hen.
    • Die of dat?
    • Als of dan?
    • Hun, hen of zij?
    Vanaf groep 7 · 24

Alles

  1. 1Alle taalVan het lidwoord tot de lijdende zin — alles door elkaar.
    • Het lidwoord
    • Het zelfstandig naamwoord
    • Het bijvoeglijk naamwoord
    • Het werkwoord
    • Het voorzetsel
    • Het persoonlijk voornaamwoord
    • Het bezittelijk voornaamwoord
    • Het aanwijzend voornaamwoord
    • Het bijwoord
    • Het tussenwerpsel
    • Het telwoord
    • De persoonsvorm
    • +19
    Vanaf groep 8 · 250

blind typen

Typen

12 treden · 23 blokken · 130 feiten

De letters

De thuisrij

  1. 1De bultjesf, j en de spatie, en daarna d en k. Waar je handen liggen.
    • f en j — de bultjes
    • d en k — naast het bultje
    Vanaf groep 3 · 5
  2. 2De hele thuisrijAlle acht de toetsen waar je vingers op rusten, plus g en h.
    • f en j — de bultjes
    • d en k — naast het bultje
    • s en l — je ringvingers
    • a en ; — je pinken
    • g en h — naar binnen reiken
    • De thuisrij door elkaar
    · 23
De letters

De bovenrij

  1. 1Naar boven reikene, i, r, u, t en y — één rij omhoog en telkens weer terug.
    • e en i — één rij omhoog
    • r en u — boven het bultje
    • t en y — de verste reik
    · 6
  2. 2De hele bovenrijMet w, o, q en p erbij ken je de tien toetsen van de bovenrij.
    • e en i — één rij omhoog
    • r en u — boven het bultje
    • t en y — de verste reik
    • w en o — ringvingers omhoog
    • q en p — de hoeken bovenin
    • Thuisrij en bovenrij door elkaar
    · 22
De letters

De onderrij

  1. 1Naar beneden reikenv, m, b en n — de vier onderste toetsen van je wijsvingers.
    • v en m — één rij omlaag
    • b en n — naar binnen en omlaag
    · 4
  2. 2De hele onderrijMet c, x en z erbij ken je alle zesentwintig letters.
    • v en m — één rij omlaag
    • b en n — naar binnen en omlaag
    • c en , — middelvingers omlaag
    • x en . — ringvingers omlaag
    • z en / — de hoeken onderin
    • Alle letters door elkaar
    · 22
Meer dan letters

Hoofdletters

  1. 1Shift met je andere handEen hoofdletter maken zonder je handen van de thuisrij te halen.
    • Hoofdletters
    · 8
Meer dan letters

Leestekens

  1. 1Vraagteken en apostrofDe tekens waar je pink voor naar buiten reikt.
    • Leestekens
    · 3
Meer dan letters

Cijfers

  1. 1De cijferrijTwee rijen omhoog, elke vinger in zijn eigen kolom.
    • De cijferrij
    · 10
Vloeiend typen

Woorden

  1. 1Langere woordenHele woorden in één beweging, niet meer letter voor letter.
    • Langere woorden
    · 26
Vloeiend typen

Zinnen

  1. 1Zinnen typenDoortypen over de spatie heen, met hoofdletter en punt.
    • Zinnen typen
    · 16

Alles

  1. 1Blind typenAlles door elkaar: letters, tekens, cijfers, woorden en zinnen.
    • f en j — de bultjes
    • d en k — naast het bultje
    • s en l — je ringvingers
    • a en ; — je pinken
    • g en h — naar binnen reiken
    • De thuisrij door elkaar
    • e en i — één rij omhoog
    • r en u — boven het bultje
    • t en y — de verste reik
    • w en o — ringvingers omhoog
    • q en p — de hoeken bovenin
    • Thuisrij en bovenrij door elkaar
    • +11
    · 130

Elke stap hierboven is een echt startpunt in de app. Je kind kiest er een, en de starttoets zet het daarna op de goede hoogte.

Waarom deze volgorde